HOME

 Technische artikelen over de fiets

Lugloos braseren: de aeroframe fictie-fixie

 

 LINKS

Fietsroute

PRAKTISCH   

banden

wieltjes

VINTAGE

klassieke racer

frame-delen

restauratie Moulton

lugloos braseren

F&S Duomatic

TECHNISCH

afwerking

solderen

driewielers

warmtebehandeling

het gespaakte wiel

composieten

staal

versnellingen

constructief_denken

vering

THEORETISCH   

vermogen

aerodynamica

sterk & stijf

rolweerstand

besturing

 

  

  Naast het bouwen met lugs, is het ook mogelijk frames te bouwen met alleen soldeer. Dit heet lugloos solderen of braseren; in het Engels fillet brazing. De gebroeders Taylor, bekende Engelse framebouwers, hebben vaak op deze manier gewerkt. Bij de Engelse Viscount racefietsen, midden jaren zeventig, is deze techniek ook voor massafabricage gebruikt. Midden jaren tachtig slaagde Peugeot er zelfs in om het fabricageproces geheel te automatiseren. Toch wordt en werd deze manier van werken hoofdzakelijk toegepast bij aparte ontwerpen door specialistische framebouwers. 

   Ten tijde van het werelduurrecord van Merckx, was het lichte gewicht van de fiets de bepalende factor voor de materiaalkeuze. Eddy reed dus met een fietsje van 5,7kg  rondjes op een vlakke baan. Berekeningen op de pagina “vermogen” van deze site, laten zien dat dit alleen de eerste paar honderd meter enkele seconden winst oplevert. Hij koos wel een baan op 2000m hoogte, omdat de luchtweerstand daar minder is. Francesco Moser reed op een veel zwaardere fiets het record van Eddy uit de boeken; zijn fietsontwerp was vooral gericht op het minimaliseren van de luchtweerstand: aerodynamica dus. Hij verloor in de eerste honderden meters enkele seconden, maar won die die per ronde weer terug, en dat gedurende de hele recordpoging. Uiteraard pikten de buizenfabrikanten deze aeromode wel op, maar de tijd was toen niet rijp voor een grootschalige productie van geprofileerde framebuizen. Tegenwoordig kunnen we in elke fietsenwinkel wel aerodynamische frames vinden; ook om boodschappen mee te doen. De buizenfabrikanten en fietsontwerpers hebben namelijk hydroform-aluminium als constructiemateriaal ontdekt.

  De fabrikant Columbus maakte in 1982 al een echte aerodynamische buizenset, die in de Cinelli Laser en bij de Colnago Aero gebruikt is. Ook Koga-Miyata heeft begin jaren tachtig een kleine serie platte stalen frames gebouwd met deze buis en de Shimano Dura-Ace AX-groep als uitgangspunt; heel fraai (als je van blauw houdt). Het fameuze Laser ontwerp van Cinelli (prijs op aanvraag), is in een beperkte oplage verkocht.

  In Frankrijk was er zelfs een klein fabriekje (Polchlopeck) waar men aero-frames bouwde. Er gaan geruchten dat veel tijdritfietsen van kampioenen uit het stalen tijdperk, van deze framebouwer afkomstig waren. Uiteraard stond er wel het merk van de sponsor van de betreffende ploeg op het frame. De meeste buizenfabrikanten kwamen met een in het midden wat afgeplatte pijp op de markt, zoals de Reynolds 531 SpeedStream; die kon tenminste met de gewone lugs gesoldeerd worden, volgens het “kijk ons eens innovatief en modern zijn”-principe.

  Ik ga de Columbus buizenset als basis voor mijn ontwerp gebruiken. Ik kies voor lugloos braseren met messingsoldeer als bouwmethode. Het fijne van lugloos bouwen is, dat je volkomen vrij bent  in je keuze van hoeken en vormen. Er zitten wat nadelen aan; het kost meer tijd en je moet van vijlen houden. Het wordt geen echte tijdritfiets, maar meer een fixie: strak, kaal en clean. Toch wordt het ook geen echte fixie, want heb ik wel eens op een baanfiets gereden: ik vond het helemaal niks. Er komt een Sachs naaf in, een Automatic 2 bak met terugtraprem; het wordt dus een fictie-fixie............

                  

  FIG.1a  v.l.n.r.: Voorvork, bovenbuis, balhoofd, zitbuis, onderbuis, staande achtervork, liggende achtervork.               FIG.1b De soldeerdelen.

  Hierboven zien we de keuze van de buizen; de voorvork is een Reynolds 531, oud standaardprofiel. De bovenbuis van het frame is sterk afgeplet; het is de bedoeling van Columbus om deze pijp vertikaal te monteren. Oorspronkelijk zat er een normale balhoofdbuis bij de set; ik kies hier voor een stuk vleugelprofiel. De zitbuis en onderbuis zijn identiek; ik zal dus zelf een zadelpen moeten maken. De staande achtervork begint gewoon rond 12mm en gaat over in een aeroprofiel. Bij de liggende achtervork kies ik bewust voor zware buis; dit levert een groter soldeeroppervlak en dus een betere hechting aan de brackethuls. Bovendien verbetert dit de zijdelingse stijfheid; dat is bij deze fietsen altijd een zwak punt. Ik zal ook bij de verbinding van de framebuizen met het bracket nog wat extra versteviging aanbrengen. Het frame zal zeker 2,3kg gaan wegen, zonder voorvork (0,7kg). De vormgeving in grote lijnen: normale balhoofdhoek 72,5˚, zitbuis 75˚ ; bovenbuis en staande achtervork komen vlak onder het zadel bij elkaar. De zadelpen heeft slechts een lengte van 6cm.; de horizontale bovenbuislengte is 55cm en de zitbuis is 67cm.

  De voornaamste soldeerdelen die erin komen zijn: de brackethuls, de patten en de vorkkroon (zie FIG.1b). Met name de vorkkroon (Cinelli) is veel te zwaar; hiervan slijp ik flink wat weg. Het grootste deel van het slijpwerk is al gedaan voor ik de binnenbalhoofdbuis in de vorkkroon soldeer. Je kunt zien dat de buis iets door de kroon heen steekt; dat slijp ik weer weg. Na solderen en poetsen, weeg ik de combinatie nog eens. De hele actie levert 53 gram gewichtswinst op; de vorkkroon weegt nu 192 in plaats van 245gram. Er komt een gewone balhoofdbuis in het vleugelprofiel; de gaatjes dienen om de lucht uit het werkstuk te laten ontsnappen tijdens het solderen.

   Op de ontwerptafel heb ik de hoeken en maten van het frame al vastgezet. De zitbuis wordt over de volle lengte gebruikt; ik heb een oude aerozadelpen ingekort en aangepast aan de vorm van het profiel van de buis. In de punt van het profiel soldeer ik een busje waar de klembout in komt; onder het busje boor ik een gaatje. Ik zet de haakse slijpmachine in de standaard en met de snijschijf slijp ik de zitbuis tot het gaatje open. De verstelbaarheid van het  zadel is ongeveer 3 cm. Aan de andere kant is de brackethuls eraan gezet.; keurig met de Black&Decker Powerfile de zaak midden en haaks uitgelijnd en gewoon rechtop in de bankschroef gesoldeerd. Het braseren gaat in twee fases; eerst wordt de verbinding echt doorgesoldeerd. Als dat mogelijk is, controleer ik dit visueel; aan de binnenkant van de buis moet overal soldeer te zien zijn. In de tweede ronde wordt een soldeerwal opgebouwd, door steeds een beetje soldeer op de "las" te laten vallen  en in te smelten.

                                        

  FIG.2a Er komt een 32x1 buis in het balhoofd.             FIG.2b De voorvork in wording.                  FIG.2c De ontwerptafel.

                     

  FIG.2d De vorkkroon slankt van 245gram af naar 192.      FIG.2e De zadelpen krijgt een klem.                 FIG.2f  Met de haakse slijper in de standaard.............

                    

    FIG.2g Controle voorvork nog in de soldeermal.            FIG.2h Balhoofd/ onderbuis voor het poetsen.             FIG.2i  Het bracket zit al aan de zitbuis

    In FIG.1a zien we dat er gebogen vorkscheden liggen; achteraf besluit ik om rechte vorkpoten te nemen en minder ver door te buigen dan de standaard 45mm van Reynolds. De voorvork wordt in een mal gesoldeerd; bij de balhoofd / onderbuis verbinding is dat door de vorm van de buizen niet goed mogelijk. Eerst is de binnenbuis in het balhoofd gesoldeerd. De onderbuis steekt onderaan 1cm in de aerovorm. Met de haakse slijper is een gleufje in de aerovorm gemaakt; het profiel van de onderbuis is passend gevijld en geslepen. Toen heb ik een gaatje in de doorstekende punt van de onderbuis gemaakt en een schroefje in het gaatje gedraaid, dat de delen fixeerde onder het soldeerwerk. Deze zelfde werkwijze is ook gehanteerd bij het verenigen van de twee combinaties, door het vastpinnen van de onderbuis aan het bracket. Het passend slijpen ging moeizaam door het "wiebelende tafel effect"; hier wat weg halen, daar wat weg halen, enz..    

        

       FIG.3a Het bracket na het solderen.                                                                             FIG.3b Het frame op de vlaktafel.

  Na het solderen gaat het frame op de vlaktafel; geen officiële, maar een onderplaat van een oude zaagmachine. Zoals u ziet wordt het frame dus gericht naar het bracket! Door het frame eerst rechtsom en dan linksom in te spannen kunnen we het verschil meten. Dit blijkt 4mm dus we moeten 2mm naar het midden. Dat is dus het nadeel van het bouwen zonder mal. De eerste twee keer dat ik druk uitoefen op het frame is er geen merkbare verandering (elastische vervorming). De derde keer zit ik al 1mm over de gewenste waarde, zodat ik alsnog een beetje terug moet buigen; en dan meet ik geen verschil meer. Je kunt niet nauwkeuriger werken dan je gereedschap kan meten. Dat is voor mij hooguit op 1mm nauwkeurig; professionele bouwers kunnen tot op 0,1mm uitrichten!

             

        FIG.4a De bovenbuis erin en weer op het meetbord.                                 FIG.4b  Zo komt de achtervork aan de framedriehoek.      

   Daarna kan ik met het solderen van de bovenbuis de framedriehoek sluiten; die bovenbuis zit er dan nu (FIG.4 a) ook in. Ook hier weer nauwkeurig vijlen, passen, vijlen enz. Ter verstijving van het bracket wordt er aan beide zijden van de onderbuis een plaatje op gesoldeerd. (FIG.4 b) Hier heb ik mij toch wat op verkeken; ik dacht dat dit makkelijk zou gaan, maar er was teveel speling. Het soldeer wilde er niet goed onder, vanwege het gebrek aan capillaire werking.

   Dan komt de liggende achtervork; eerst soldeer ik de patten. Dan zet ik het mannetje ertussen en richt ik de vork perfect uit. Nu moet de vork passend geslepen en gevijld worden voor het bracket; dat kost heel veel tijd. Ik maak van een stuk meubelplaat een simpele mal; hier klem ik de onderbuis en zitbuis op vast. Met behulp van wat houten blokjes en een oude achteras wordt de achtervork gefixeerd. Het frame gaat ondersteboven in de bankschroef en het solderen kan beginnen. Na het solderen lijn ik de achtervork naar het midden uit met een frameliniaal, en op de vlakplaat naar de hoogte; millimeterwerk, meer niet. Het monteren van de staande vork is tamelijk eenvoudig. Aan de patzijde en de zadelkant passend maken; ik kies ervoor om de vork bij patten het eerst vast te zetten. De bovenkant is dan wel al gefluxt en zit met een griptang in positie. Het soldeerwerk is bovenin tamelijk complex; de achtervork vervloeit als het ware met het frame. Ik zet een klassiek baanmannetje in de boven in de vork en als laatste soldeer ik nog nokjes voor een bidonhouder op de onderbuis. Dan maar weer vijlen en poetsen; nu maak ik met oude wielen even een paar plaatjes van de fiets (zie FIG.5a+b). Het braseren zit er nu op; de rest is afwerken en opbouwen. (Natuurlijk bouw ik ook wel eens wat normalere fietsjes.)

         

     FIG.5a/ b   Na het braseren: de voorvork buigen, schuren, lakken, schuren, lakken, enz..................     

                

        FIG.6a/ d  Na wat plamuurwerk kan het frame in de grondlak.

           

    FIG.7a De fictie-fixie is klaar: plat en aerodynamisch.                           FIG.7b  De fictie-fixie is klaar: strak, plat en blauw, heel blauw. 

Een webwinkel met fixies:  http://www.fallon-bikes.nl/

Vragen of opmerkingen:  contact