|
Van
het rijden van een fiets, kan menig kind van vijf zo een demonstratie geven. Met
de besturing
van een fiets, bedoel ik het ontwerp en de gevolgen van de keuzes van
wieldiameter, vorkdoorbuiging en
framegeometrie. Welk krachtenspel ontstaat er, en welke theorie voorspelt de
stuureigenschappen. Door de geringe massa van de fiets t.o.v.
de rijder, heeft deze een sterke invloed op het stuurgedrag. Dit is een
complicerende factor, die moeilijk in formules is te stoppen. Rond 1886 krijgt
de besturing van de Rover Safety de onderstaande vorm; vanaf 1890 wordt die in bijna alle
ontwerpen toegepast.
FIG.1a
FIG.1b

FIG.1a De geometrie van het voorframe. Er
zijn veel experimenten bekend met balhoofdhoeken (B), wieldiameters (D)
en vorksprong (V). We kunnen een vorksprong krijgen door vorkdoorbuiging
of door rechte vorkpoten een hoek te laten maken met de balhoofdbuis. Bij
motoren en brommers staan de poten van de voorvork gewoon een aantal centimeters
voor het balhoofd. De naloop N en mechanical trail M ( =effectieve
naloop), liggen vast als we de eerste drie gekozen hebben. Met B, D
en V kunnen we na wat wiskundig goochelwerk bepalen dat: M
= (0,5 . D . cos B - V ) en N = (0,5 . D
. cos B - V ) : sin B. Een Excelfile voor het
rekenwerk kunt u hier downloaden. In deze
berekening wordt ook een stabiliteitsindex U berekend (zie tekst hieronder).
Het optillen
van het frame tijdens het verdraaien van het stuur, zie FIG.1b., is een belangrijk effect
van de vorkdoorbuiging V (sprong).
Als we het stuur 90 graden draaien, wordt het
frame over de hoogte H opgetild. Als we minder draaien, wordt het frame
ook minder opgetild. Rechtdoor gaat via het laagste punt en dat kost het minste
kracht. Als er meer gewicht op het voorwiel drukt, zal er meer gewicht opgetild
moeten worden. De
onderzoeker David Jones introduceerde een stabiliteitsindex U. Als deze tussen
-1 en -3 ligt, hebben fietsen goede stuureigenschappen; bij de hogere waardes,
als -1, wordt de fiets instabieler; bij lagere waardes, zoals -3, is het
zelfcorrigerend effect groter. Je moet het stuur dus iets verder draaien voor je
de bocht om gaat; als je minder ver draait, komt het stuur vanzelf weer recht.
In het blad FIETS geeft men deze u-waarde vaak weer bij de framegegevens. Hoewel
de u-waarde dus gebruikt wordt om de stabiliteit van fietsen met eenzelfde
wieldiameter onderling te vergelijken, (zoals bij een test van verschillende
racefietsen), blijkt het theoretisch model van Jones niet goed genoeg om
een absoluut oordeel te geven. De formule komt uit de tweede druk van Bicycling Science;
in de huidige druk
beschouwt men de hier gebruikte formule voor de U-waarde dan ook als fout.
Als
we het evenwicht bewaren op de fiets, zijn we
voortdurend bezig met kleine correcties; we slingeren
lichtjes om ons eigen spoor. Ons evenwicht wordt bepaald
door de plaats van het zwaartepunt (eng. COM = center of
mass) ten opzichte van het vlak door het hoofdframe. Zodra we een bocht naar links willen maken, sturen we
eerst (onbewust) even naar rechts, om het zwaartepunt links van het
framevlak te krijgen. Door de zwaartekracht worden we nu
naar links en naar beneden getrokken; er ontstaat door
de rijsnelheid echter een centrifugaal
(="middelpuntvliedende") kracht die ons naar buiten en
weer omhoog drukt. Het effect is dat we gaan overhellen
in de bocht. Hiervoor is een reactiekracht (=grip) nodig
van de banden; bij
ijzel vallen we al gauw. Bij hele lage snelheden
ontbreekt de centrifugaalkracht en balanceren we met ons
zwaartepunt boven de raakpunten van de wielen. Voor elk
frame geldt, dat de fiets pas stabiel rijdt boven een
bepaalde snelheid. De ouderwetse
omafiets is sneller stabiel dan een criteriumracer.
Gewoonlijk liggen deze waardes rond de 20 km/u (6 m/s).
Bij deze snelheid zal de fiets ook zonder berijder
stabiel zijn en kleine verstoringen zelf corrigeren! Er
is bij experimenten met een rijderloze fiets, gebruik gemaakt van
kleine vuurpijltjes die op het stuur gemonteerd werden.
Als de fiets zichzelf niet stabiliseerde, en na
ontsteking het stuur naar links draaide, dan viel de
fiets naar rechts om! Dit bewijst dat we naar
links sturen om naar rechts te gaan. Als de snelheid van
de rijderloze fiets te laag wordt, zal de fiets langzaam
in een trage bocht naar links of rechts omvallen
(kapseizen).
Alles
wat meedraait met het stuur noemen we het voorframe. Er
zijn diverse krachten die op het voorframe van de fiets
werken. De allerbelangrijkste is het stuurkoppel,
de kracht die de rijder uitoefent op het stuur. De
bewegingsenergie, het gyroscoopeffect in ons voorwiel, zorgt voor extra
stabiliteit. Dit is de bekende truc van het
moeizaam verdraaien van een roterend wiel in je handen;
deze kracht is klein t.o.v. stuurkoppel, maar neemt toe
met de omtreksnelheid en de
massa van het wiel. Een andere stabilisator is
de geometrische kracht, die door de naloop
bewerkstelligd wordt. Deze
neemt toe naarmate de effectieve naloop M (mechanical
trail) uit FIG.1 groter wordt. Deze
drie krachten werken samen om
de fiets rechtdoor te laten lopen. Er werken nog
meer
krachten op het voorframe, zoals de wrijving van de banden
en aerodynamische krachten (zeker bij een dicht
voorwiel). Ook de stootkrachten
van hobbels en kuilen in het wegdek, komen via het
voorframe tot ons.
De armen van de rijder dienen als
demper van trillingen. Dit is een belangrijke
functie: zonder demping kunnen trillingen
uitgroeien tot een shimmy; dit is een steeds sterker
worden trilling om de lengteas van het voertuig. Een voorbeeld, zie:
www.easyracers.com/videos/mango_crash.wmv
Shimmy's
hebben te maken met de eigenfrequentie van het voertuig
en treden bij een, voor die fiets, specifieke snelheid op.
Een oorzaak van het ontstaan van trillingen is de
trapfrequentie. De plek waar we kracht zetten, het
pedaal, ligt buiten het vak door het frame. Zeker als we
stevig trappen, zal er een verschuiving zijn van het
evenwicht, en daarmee kan een lichte slingering in het stuur
ontstaan. Omdat er twee pulsen per trapomwenteling zijn,
liggen de frequenties gewoonlijk tussen de 1,5 en 4
Hertz. De eigenwaardes van het frame zouden boven de 5
Hertz moeten liggen. Ook regelmatige trillingen van het
wegdek (kasseien) leveren vaak vervelende frequenties op.
De
hoogte van het zwaartepunt heeft invloed op onze
stuurcorrecties. Hoe hoger, hoe meer tijd we hebben om
te corrigeren. Zolang we rechtuit rijden is dit een
voordeel; als we snel moeten reageren om putjes of
stenen te vermijden, werkt die tijd tegen ons. De
gewichtsverdeling (plaats en hoogte van het zwaartepunt)
is belangrijk; bij veel gewicht op het voorwiel, zal de
fiets sneller reageren op verdraaiing van het stuur. De wielbasis heeft ook grote invloed op de
besturing van de fiets. Lange fietsen, als tandems, zijn
veel stabieler dan hun eenpersoons collega met dezelfde
geometrie. Ze hebben uiteraard wel meer wegdek nodig om
te manoeuvreren. Vouwfietsen en korte wielbasis ligfietsen en
zijn berucht zenuwachtig, maar extreem wendbaar. Er zijn
ligfietsen waarbij de rijder een cirkel kan draaien met
een hand aan de grond. Op een omafiets rust nagenoeg
alle gewicht op het achterwiel; er hier sprake van "understeer":
de stuuruitslag is relatief groot voor de bocht wordt
ingezet. Als je op kampeervakantie alle spullen op de
achterdrager vervoert, krijg je hetzelfde effect. Ga je
dan even naar de bakker, als je de tent hebt opgezet,
moet je weer wennen aan het directe sturen van de fiets.
Het omgekeerde effect krijg je als een ligstuur
monteert; er komt meer gewicht op het voorwiel en de
fiets neigt dan naar "oversteer". Bij een kleine
stuuruitslag ga je al de bocht in; remmen in de bocht
geeft hetzelfde effect.
Bij
experimenten heeft men met behulp van een tegen roterend
vliegwiel, de gyroscoopkracht geëlimineerd. De fiets
wordt dan wel minder stabiel (bijna niet met losse
handen te rijden), maar blijft bestuurbaar. De meeste fietsontwerpen zijn zelf corrigerend; de fiets
zal na het nemen van een hobbeltje weer rechtuit willen.
Bij een, door de geometrie bepaalde, verdraaiing van het
stuur, zal de fiets een ingezette bocht gaan volgen. Een
criteriumracer moet heel snel van richting kunnen
veranderen; de bouwer kiest dan voor weinig stabiliteit.
Om
te zien wat het effect was, bouwde David
Jones fietsen met voorvorkgeometrieën, die tegen alle
bestaande wijsheid in gingen. Hij probeerde een
onberijdbare fiets te bouwen. Al zijn creaties
bleken na wat oefening toch berijdbaar; de mens kan zich
blijkbaar goed aanpassen: de redding voor menige
ontwerper!
NALOOP
GEEN
NALOOP
NALOOP
NALOOP
FIG.2a Goed. FIG.2b Fout. FIG.2c Omgekeerd.
FIG.2d Rechte vork
Als de naloop nul is (FIG.2b), heeft de
fiets geen eigen stabiliteit meer. Bij nog sterkere
doorbuiging krijgen we “voorloop” en wil de fiets alle
kanten op behalve rechtdoor; dit is vermoeiend en
gevaarlijk! We kunnen in principe ook een naloop krijgen
door de vork om te draaien, zoals bij FIG.2c; dit wordt o.a.
toegepast bij stayerfietsen en
voorwielaandrijvingen als Bokhorst en Minq. Sommige voorvorken zijn niet gebogen
maar recht. N.B. Deze vorkschedes maken wel degelijk een
hoek met de binnenbalhoofdbuis, zodat de naloop niet te
groot wordt! (Zie FIG. 2d).
Met name Bill Patterson heeft veel werk gemaakt van het
zoeken naar een formule, om voor zeer diverse fietsen
een goede geometrie te kiezen. De kern van zijn betoog
is dat de fiets bij lage snelheid, uit zichzelf een
bocht wil gaan maken (positieve veerkracht) en zich bij
hogere snelheid tegen verdraaien van het stuur verzet
(negatieve veerkracht). Hij heeft in zijn artikelen
uitgebreid beschreven, hoe de metingen van de
belangrijke gegevens plaats moeten vinden. Deze formule
is tegenwoordig ook via internet in te vullen.
Er zijn door
diepgravend rekenwerk nieuwe inzichten ontstaan over
fietsstabiliteit. De combinatie van mensen van
Nederlandse TU's (Schwab, Kooiman, Meijaard) en Cornell
University (Ruina, Papadopoulos, Hand) heeft veel
vruchten afgeworpen. Op basis van theoretische
berekeningen, heeft men een tweewielertje gebouwd met
een kleine voorloop, terwijl de gyroscoopkrachten van de
wieltjes door tegenrotatie worden opgeheven.
Traditioneel denkend, zou een dergelijke combinatie
nooit een zelfstabiliserend fietsje kunnen opleveren;
toch is het fietsje stabiel, wat de juistheid van het
theoretisch model aantoont. Dit fietsje is nog geen
nieuw frameontwerp, maar slechts een veredeld rijderloos
stepje met rolschaatswieltjes. We zijn benieuwd of er
ook echte fietsen op basis van dit rekenmodel gemaakt kunnen
worden.
FIG.
3a Forse naloop bij Flevobike. FIG. 3b
De Python heeft een voorloop !
Het
theoretisch stuurgedrag van alle voertuigen met een enkel sturend
voorwiel is aan dezelfde basisprincipes onderworpen. Ligfietsen vormen
dus geen aparte klasse. Toch zien we daar duidelijke afwijkende geometrieën;
met name als de trapas op het sturende voorframe zit. De
invloed van de trapkracht op de besturing is bij
gangbare balhoofdhoeken zeer groot. Om dit te
verminderen kan men twee wegen kiezen: balhoofd 0°
of 90°.
Als compromis treffen we soms 45°
aan, o.a. bij de eerste Flevobikes (zie FIG.3a). De
invloed van de aandrijving is hier nog steeds groot;
feitelijk bestuurt men de fiets met benen en heupen. Het
fietsen hierop vergt veel training. Er is ook een
driewielige versie; omdat je het evenwicht niet direct
hoeft te bewaren, leer je het sturen vlugger aan. Een
variant op de Flevobike is de Python FIG.3b; hier zien we
een balhoofdhoek van 60°
en een
voorloop
van ongeveer 300mm. Omdat bij stuuruitslag de
rijder + fiets opgetild worden, is er toch een
zelfcorrigerend effect. Als je flink op het voorwiel
remt, kan het frame door die voorloop wel gaan scharen!
Een driewielige variant van deze fiets is de
Hipparion.
De
keuze voor achterwielbesturing (RWS), is bij een "enkelsporig voertuig"
problematisch; de besturing is niet zelfstabiliserend. Het blijkt
dat kleine verdraaiingen zeer sterke effecten opleveren.
Het is technisch mogelijk voor geoefende personen om
zo’n instabiele fiets te rijden, maar deelname aan het verkeer is onverantwoord.
Er is een veelbelovende oplossing van het probleem gevonden door
Dennis Renner. Geometrisch is er niets verrassend aan zijn RWS. Maar
er zit in de bovenkant van de achtervork een verbinding met de steuntjes
van de zitting; dit geeft blijkbaar een terugkoppeling door wringen van
de zitting. In combinatie met de stuurhendels wordt bovendien het
bovenlichaam als met ware met de bewegingsrichting mee gedraaid. Het
lijkt erop dat dit een goed bestuurbaar ontwerp heeft opgeleverd. Ook
ontwerpen waarbij de druk op het
achterwiel sterk verminderd is, beloven stabieler te zijn. Kijk voor meer info op de site van E. Wannee ( http://wannee.nl/hpv/abt/index.htm ).
Driewielers met één sturend voorwiel en een
normale voorvork moeten in vergelijking met een tweewieler een
relatief grote vorkdoorbuiging (= “sprong”) hebben. Als deze klein is, is de naloop
groot en het
stuurkarakter erg stabiel. Bij lage snelheden hebben wij dan een wat grotere
stuuruitslag nodig om de bocht te maken; een gevolg van te grote
stabiliteit. Een bepaalde mate van instabiliteit is gewenst! Als de
vorksprong
groot is, zullen de krachten die via de vork op het stuur uitgeoefend
worden, ook groot zijn. Vooral bij hoge snelheden op hobbelige wegen
maakt dit het sturen lastiger.
Driewielers
met twee sturende voorwielen
hebben een met de auto vergelijkbare stuurproblematiek. Wanneer we met
zo’n driewieler een bocht maken, zal het wiel aan de binnenkant een
kleinere draaicirkel moeten beschrijven dan het buitenste wiel. Beide
wielen zijn d.m.v. het stuurstangstelsel met elkaar verbonden. De vorm
van het trapezium wordt bepaald door de afstand naar ‘t midden van de
achteras: het Ackermanprincipe (FIG.4a). In de besturing kunnen
energieverliezen ontstaan door slecht sporen (niet evenwijdig lopen van
de wielen).
Als de wielen naar binnen wijzen is er “toespoor”; “uitspoor” is het
naar buiten wijzen van de wielen, dit leidt tot instabiel gedrag en moet
vermeden worden! Beide leveren extra wrijving en slijtage van de banden.

FIG.4a
W=wieldrager F=fusee H=naaf
FIG.4b idem FIG.4c Centerpoint
Als de hoek tussen voorwiel en wegdek zo gekozen is, dat de hartlijn
door de fusee het wegdek snijdt op het vlak door het wiel, heet dat
centerpointbesturing
(zie FIG.4c)
snijdt de hartlijn
door de fusees het wegdek door het vlak van het wiel. Gewoonlijk wordt dit
toe gepast bij 3 of 4 wielers, maar soms ook op moderne tweewielers.
De fusee zit dan meestal midden in het wiel. Het wiel heeft dan de vorm van
een pannendeksel.
Zeker als je een enkel sturend voorwiel met fusee neemt, moet je voor centerpointbesturing kiezen.
Bij constructie volgens FIG.4c mag je geen bredere of smallere banden
monteren en je kunt geen vering inbouwen, want dan spoort de fiets niet
meer. We zien dit terugkomen bij Dasher. Het draaipunt van de wielen wordt gevormd door de fusees
F
(zie FIG.4b). Deze dienen schuin naar binnen (5-10°)
en naar achter te hellen. Een nadeel van centerpointbesturing
is, dat speling in het
stuurstangstelsel of de fuseepen zeer snel tot een z.g.n.
shimmy leidt! Dit is
een trilling om de lengteas van het voertuig.
Bij twee sturende voorwielen kiest men daarom een
wat steilere hoek (ook wel K.P.I. genoemd); het snijpunt met het wegdek
valt nu tussen de wielen. De afstand tussen snijpunt en wielvlak noemt
men de schuurstraal. Beide waardes zijn bepalend voor 't stuurgedrag
van de driewieler, met name voor stabiliteit en het zelfcorrigerend
effect bij het uitkomen van de bocht. Een grotere schuurstraal levert
een sterker zelfcorrigerend gedrag op. Maar de besturing wordt zwaarder
en het kost energie. Dit komt door extra wrijving (en daarmee extra
slijtage van de banden). Centerpointbesturing wordt vaak gebruikt
voor Human Powered Vehicles, maar met name om de stabiliteit op topsnelheid te
verbeteren, wordt soms gekozen voor bewuste afwijkingen van het Ackerman-principe en/ of een licht toespoor.
FIG.
5 Jouta
In FIG.5 zien we een
driewieler met achterwiel besturing uit 1985 van de
Nederlandse fabrikant Jouta. Het weggedrag van deze driewieler,
met een z.g.n. “kantel-knik” besturing, is niet
zelfstabiliserend. Bij voorwielbesturing zal het voertuig na het
uitkomen van de bocht uit zichzelf weer rechtdoor willen gaan, zoals een
auto; bij dit fietsje moet je blijven sturen. Het voorste deel
van de fiets gaat hellen in de bocht; net als een tweewieler. Alleen
wordt die hellingshoek niet bepaald door de snelheid, maar door de
balhoofdhoek van de achterkant. Er ontstaat een compromis: bij te
langzaam nemen van de bocht wil de rijder naar binnen vallen. Bij het te
snel nemen van de bocht wil de rijder naar buiten. De constructie is
eenvoudig en door het lage zwaartepunt is de wegligging redelijk
stabiel. De wielen van een driewieler ondervinden zijwaartse krachten in
bochten; kies dus voor dikkere spaken en/ of kleinere wielen. Houd er
rekening mee, dat de remmen op de parallelle wielen met dezelfde kracht aangrijpen: anders wil hij de bocht om!
Ook de keuze voor een enkel sturend achterwiel is mogelijk, o.a. te
vinden bij de Amerikaanse Sidewinder. Bij hogere snelheden ( > 40 km/u)
zijn deze driewielers niet echt stabiel; een stuurdemper kan helpen om
shimmy's te voorkomen.
TEN SLOTTE: LEESVOER EN DOWNLOADS VIA
HET WWW
Er is een nieuwe kijk op fietsbesturing
met veel inbreng van TU-Delft, in combinatie met Cornell
University, zie:
http://ruina.tam.cornell.edu/research/topics/bicycle_mechanics/stablebicycle/index.htm
Hier vind je de ontwikkeling van de theorie: J. Meijaard, J. Papadopoulos, A. Ruina, A. Schwab:
Historical Review of Thoughts on Bicycle Selfstability
Daarnaast staat
er ook een duidelijk uitgewerkt onderzoek met de pakkende titel:
1201959SOMtext.pdf
Kijk ook eens op de site van A. Schwab:
http://audiophile.tam.cornell.edu/~als93/Bicycle/index.htm Hier
vinden we:
J.D.G.
Kooijman:
Experimental Validation of a Model for the Motion of
an Uncontrolled Bicycle
(engels-T.U.niveau) Jaap Meijaard c.s.:
Linearized dynamics
equations for the balance of a bicycle: a benchmark and
review
(engels-T.U.niveau)
ANDERE
SITES :
B.Patterson:
Hier zijn diverse PDF-files te downloaden via
waves.exe
:
Lords of the Chainring: calpoly.edu/~wpatters/lords.html
(engels-HBO-niveau)
Een rekenprogramma naar aanleiding van de artikelen van
Bill Patterson vindt u op:
http://www.wisil.recumbents.com/wisil/trail.asp
Sheldon Brown via de pagina's van
Jobst Brandt:
http://www.sheldonbrown.com/brandt/gyro.html Er
staat ook nog een artikel over shimmy's.
T.Foale:
www.tonyfoale.com/Articles/index.htm
o.a.: Basic principles of Balancing en
Experiments with steering geometrie (engels-MBOniveau)
De
Flevobike fanclub en achterwielbesturing van 2 en
3-wielers van Erik Wannee
http://wannee.nl/hpv/abt/index.htm
Boeken: Bicycling Science - D.G. Wilson (
with contributions of
J.Papadopoulos ) third edition 2004 ISBN:
0-262-73154-1
Motorcycle Handling and Chassis Design: The Art and
Science - T. Foale second edition
2006 ISBN: 8493328634
Vragen of opmerkingen:
contact
Deze pagina kunt u
hier in PDF downloaden. |