|
Elke constructie heeft voordelen en nadelen. Het
kinderdriewielertje heeft een directe aandrijving, dat
wil zeggen dat pedalen en cranks vastzitten aan het
wiel. Dit is een hele simpele constructie, maar er is
ook een groot nadeel. Eenmaal rond draaien van het
trapstel, is eenmaal ronddraaien van het wiel. Als je
een beetje vaart maakt, draaien de wieltjes sneller dan
de benen kunnen bijhouden. Om deze reden werd het
voorwiel van de eerste fietsen in de negentiende eeuw
steeds groter. Je moest met dat wiel ook nog sturen! Met
de introductie van kettingaandrijving kon het wiel
sneller draaien dan de pedalen. Daarmee verhuisde de
aandrijving naar de achterkant; het sturen bleef de taak
van het voorwiel. Heel belangrijk was, dat de zitpositie
lager werd en de rijder met beide voeten aan de grond
kon komen.
Het ontwerpen is het belangrijkste moment bij de
constructie van een nieuwe fiets. Het overgrote deel van
de problemen, die bij het bouwen ontstaan, is terug te
voeren op slecht denkwerk in de ontwerpfase! De
persoonlijke voorkeur voor bepaalde rijeigenschappen
speelt een belangrijke rol. Ik kies voor een relatief
grote naloop; fijn rustig en stabiel, maar iemand anders
zal een dergelijk stuurkarakter als sloom kwalificeren.
Vervelender is overigens als u niet eens weet wat u
wilt!
Om te beginnen met ontwerpen kunt u de maten van een
fiets opmeten en op millimeterpapier (schaal 1:10)
weergeven. Probeer nu om een eigen model te tekenen,
waarvan de maten en hoeken realistisch zijn. De meeste
van mijn ontwerpen zijn niet verder gekomen (papier is
geduldig en goedkoop). Als de beslissing is genomen om
werkelijk een fiets te bouwen, teken dan een wat groter
model (1:5). Probeer hierbij vooral de hoeken en
belangrijke maten te bepalen. Teken het ontwerp, als het
klaar is, op ware grootte b.v. op ‘n stuk behang.
Controleer daarna alle hoeken en maten nog eens. Werk
verder uitsluitend vanaf de tekening. Het timmermansoog
van de vakman ziet afwijkingen van ± 0,5° en ± 1mm. Geef
alle nokjes aan!
Het denken over constructies en ontwerpen, vergt enige
kennis van mechanica. Hoe grijpen de krachten aan en is
het ontwerp sterk genoeg om de krachten die erop werken
te weerstaan? In FIG.1 zien we de combinatie van
krachten die op een herenframe (diamantframe) werken. De
statische belasting, een fiets van 10 kg en een rijder
van 80 kg, is klein in vergelijking met de dynamische
krachten. Als een coureur op snelheid door een kuil
raast, ontstaan er piekbelastingen, die 2 tot 3X zo hoog
zijn! Het frame moet dit kunnen verdragen: het zou de
schokken zelfs niet door moeten geven aan de rijder.
Maar op een rubberen frame kan de rijder weer geen
krachten uitoefenen! Het frame vormt het verbindend
element tussen de onderdelen. Het moet zo sterk mogelijk
zijn en voldoende stijf. De toerist stelt andere eisen
dan de coureur.
TABEL 1.
|
MATERIAAL
Carbon U.D.+epoxy
E‑Glas+epoxy
Staal
Titanium
Aluminium
Magnesium
MetalMatrix M2
|
Soort.Massa
1,6 kg/dm3
2,1
7,8
4,5
2,7
1,7
2,9
|
E‑modulus
210 Gpa
55
210
120
72
42
88
|
E/s.m.
130
26
27
27
26
25
30
|

FIG.1
1=druk 2=trek 3=buiging(trek en druk)
4=torsie,“opwinding” rond de lengteas
Een fietsframe moet zo stijf zijn, dat de
aandrijfkrachten van een sterke rijder zonder verliezen
overgebracht kunnen worden. Het zou zo slap moeten zijn,
dat een coureur een dagje kasseien kan fietsen zonder
pijn in zijn polsen. Deze eigenschappen zijn slecht te
verenigen; gewoonlijk zijn stijve frames “hard”. De
totaal andere structuur van composieten geeft een betere
demping. Vooral als monocoque (één geheel) gebouwde
frames, zijn superstijf en toch schokdempend!
Begin jaren tachtig probeerde men de frames zo plat
mogelijk te maken om de luchtweerstand te verminderen.
Zo creëer je een frame dat in het framevlak erg stijf is
en in het zijdelingse vlak erg slap. Met zo’n frame valt
nauwelijks te spurten. In het midden van de jaren
tachtig werd lichtgewicht weer belangrijker. De
aluminium Vitus fietsen waren populair; slap, maar voor
de lichtere rijder stijf genoeg. Begin jaren negentig
zagen we een tendens naar steeds stijvere frames. Omdat
stijfheid toeneemt met de derde macht van de diameter,
kiest men voor een kleinere wanddikte én een grotere
diameter; zo wordt het frame lichter én stijver. Het
comfort van deze frames is pover, omdat metalen de
trillingen en schokken van het wegdek vrijwel geheel
doorgeven aan de fietser. De stijfheid wordt bepaald
door:
1.De stijfheid van het framemateriaal. 2.De
gekozen verbindingsmethode.
3.De geometrie.
ad.1 De stijfheid is afhankelijk van E-modulus,
buisdiameter, en wanddikte. Uit TABEL 1 blijkt dat
alleen met carbonfiber een structurele
stijfheidverbetering mogelijk is. Alle andere materialen
zijn relatief nagenoeg even stijf als staal (E/sm).
Metaalmatrix buizen hebben een iets hogere relatieve
stijfheid, maar worden nauwelijks toegepast.
ad.2 De stijfheid van 'n frame met dezelfde buis neemt
als volgt af. Het stijfst: solderen met lugs
(soldeermoffen), dan lassen, lugloos solderen, lijmen.
ad.3 Bij een korte wielbasis en steile framehoeken,
wordt een frame zo stijf mogelijk.
Het stalen diamantframe heeft zich in de loop der
tijd bewezen. Toch is er in de hele grote en kleine
maten wel wat op aan te merken. In de grote maten zou de
bovenbuis wat zwaarder of overgedimensioneerd kunnen
worden; dit vermindert de kans op shimmy's. In de kleine
maten mag gerust een lichtere bovenbuis komen. Wees voorzichtig met gewichtsbesparing als u van het
stalen diamantframe afwijkt (hoe ver kan te ver gaan?).
De standaard hoofdbuis voor het fietsframe is 28,6x1,2
(28,6mm buitendiameter en 1,2mm wanddikte), maar het
diamantframe is een uitgekiende constructie; wie
tandems, ligfietsen of vouwfietsen ontwerpt, zal een
minder ideale verdeling van de belastingen krijgen.
De ijzerhandel op de hoek heeft gewoonlijk staal in de
kwaliteit PBY (=pisbakkenijzer). Dit wordt vaak
aangeduid met St37 of Fe360. Het is goedkoop en in veel
maten leverbaar, als koker (vierkant) en als gelaste
buis (met naad dus). Door het lage koolstofgehalte is
het goed te bewerken, maar de rekgrens is laag. Laat bij
het afwijken van de platgetreden paden in de framebouw
(ligfietsen e.d.) vooral het “boerenverstand” werken en
kies veiligheid boven lichtgewicht! Voor de achtervork
geldt minimaal 20x1 (liggend) en 15x1 (staand). De
driehoek is een stijve constructie; probeer waar
mogelijk dit ideaal te bereiken door een buis(je) extra
ertussen te zetten. Dat maakt het frame niet alleen
stijver, maar voorkomt ook breuk door “metaalmoeheid”.
Bij een “korte wielbasis” ligfiets is de trapas een
zwaar belast punt. Als we met het rechterbeen trappen,
zal de trekkracht in de ketting de vervorming van de
buis waaraan het bracket zit, tegenwerken. Als we met
het linkerbeen trappen, werken deze krachten juist
samen!

FIG.
2a
FIG. 2b
FIG. 2c
De krachten op ons diamantframe zijn goed in evenwicht;
voor andere ontwerpen geldt dit niet altijd. Bekijken we
eens een ouderwets damesframe. De drukkrachten in de
bovenbuis van de racefiets bij FIG.1 heffen elkaar op.
Bij de damesfiets FIG.2a lukt dat niet; de
reactiekrachten van de wielen willen het frame
“dichtvouwen”. Het gevolg is dat er grote krachten op de
zitbuis bij het bracket worden uitgeoefend. Bij de
betere kwaliteit frames is er een versterkingsbuisje
ingeperst om vervorming van de zitbuis te voorkomen.
Goedkope fietsen zakken hier door; kijk maar eens naar
oude stadsbarrels bij het station. De zijdelingse
stijfheid van deze damesfietsen is beroerd. Zelfs als de
naven redelijk spelingvrij zijn, zal zijdelings heen en
weer schudden het frame een soort slangendans laten
uitvoeren. Met een zware last achterop is de situatie
nog slechter; zolang we rechtdoor rijden hoeft het nog
geen problemen op te leveren. Zodra we echter snel
moeten reageren, zal de traagheid van de last zich
wreken door torsie van het frame. De wielen staan nu
niet meer in een lijn, het frame spoort niet meer. Als
we nu gaan corrigeren om ons evenwicht te bewaren of
contact met auto’s te voorkomen, zwiepen de
reactiekrachten ons juist de verkeerde kant op.
Er is maar een goed damesframe: zie FIG.2b. In de
nieuwe generatie stadsfietsen en damesfietsen kiest men
voor grote diameter aluminium buizen. Hierbij zien we
constructies terugkomen als FIG.2c, waarvan Archibald
Sharp in 1896 al hoopte ze (met zijn boek “Bicycles and
tricycles”) voorgoed in het rariteitenkabinet van
technische mislukkingen te hebben gezet. De verhoering
van de ingenieur als vormgever, of nog erger: de
vormgever als ingenieur, leidt ertoe dat deze ontwerpen
weer een kans krijgen. Op de kruising is de stijfheid
van het frame nauwelijks groter dan die van de hoofdbuis
en een frame is zo stijf als de slapste doorsnede. Door
te kiezen voor idioot grote diameters is het frame
misschien zelfs stijver dan de klassieke damesfiets;
maar de dunne buizen zijn overbodig gewicht en
materiaal.
FIG. 3a
FIG. 3b
Alle
slechte dingen die ik over het klassieke damesframe
verteld heb, gelden nog sterker voor DD(dames-dames)tandems.
Door de toename van de wielbasis zal het buigend moment
groter worden (moment is kracht maal arm). Door de
slapte van het frame leiden stuurcorrecties tot
zwiepers en gevaar voor mensenlevens. Beneden moet een
tandem goed stijf zijn. In staal voldoet 36x2 of 44x1
heel aardig. Eventueel mag de buis in de horizontale
richting geovaliseerd worden. Een heel bruikbaar ontwerp
voor een DD-tandem, bestaat voor de rest uit 30x2 buis
volgens FIG.3a. Uiteraard is ook een klassiek HH ontwerp
mogelijk als FIG. 3b. Hierbij doet zich het probleem
voor dat het achterframe een ruit vormt. De krachten op
het frame zullen de horizontale buizen op buiging
belasten; deze belasting is ongunstig en dient vermeden
te worden. In de techniek kiezen we dan vaak voor
vakwerkconstructies. Wij lossen dit hier op door een
extra diagonale buis in het achterframe zetten; zo
krijgen we stijve driehoeken. Nog stijver is de
“marathon”-constructie, waarbij deze buis ook nog naar
het balhoofd loopt. Het summum is natuurlijk een dubbele
marathon uitvoering die sprekend lijkt op de DD-tandem
met een extra bovenbuis. Bij het bouwen van zo’n tandem
kun je de zware 30x2 buis uit het DD-ontwerp vervangen
door naadloos 32x1 buizen; je krijgt dan een lichtere en
stijvere tandem. Een van de beste wijzigingen in mijn
tandems was de stap van 28” wielen naar 26” ATB-wielen.
De keuze voor bredere banden leverde als bijwerking ook
minder spaakproblemen en meer comfort op. Kies voor
banden met een gesloten middenrille, die minstens
op te pompen zijn tot 5 bar, anders wordt de
rolweerstand te hoog!

FIG.4a
FIG.4b
Bij ligfietsen is de gewichtsverdeling tussen voor- en
achterwiel een probleem. Globaal maken we de indeling:
korte wielbasis (KWB) met de trapas voor het balhoofd en
lange wielbasis (LWB) met het balhoofd voor de trapas.
De Belgische productieligfiets Velerique (FIG.4a) uit
1982 was van het eerste type. De eerste Nederlandse
productieligfiets Roulandt (1983) was van het laatste
type (FIG.4b).
Bij het ontwerpen moet men ervan uitgaan, dat het
zwaartepunt zich op “navelhoogte” bevindt. Trek een
loodlijn vanuit dit punt naar de wielbasis. De
verhouding tussen de afstand naar voor- en achterwiel
geeft de verhouding in gewichtsverdeling weer. Het
minimum voor vind ik 25%. Dit wil zeggen dat de afstand
van het zwaartepunt naar het voorwiel maximaal 3X de
afstand naar het achterwiel mag zijn; maak desnoods de
achtervork wat langer. De druk op het aangedreven wiel
moet minimaal 40, liever zelfs 50 procent zijn. De
voorwiel aangedreven Flevobike sloeg vaak door bij het
wegrijden op nat wegdek. De ontwerper Vrielink heeft een
stad- en klimstand bedacht door, m.b.v. een omklapbare
nok, de framehoeken te veranderen. Hierdoor schuift het
zwaartepunt naar voren en komt er meer gewicht op het
voorwiel.
Bij ligfietsen kan het frame van de KWB-fiets makkelijk
in een enkele grote diameter worden uitgevoerd, b.v. in
buis 36x2 of koker 35x35x2. Wie lichter wil bouwen, moet
een dikkere dunwandige buis zoals 44x1 nemen. Bij een
LWB of ligfietstandem is dit onvoldoende, omdat door
toename van de wielbasis het buigend moment te groot
wordt. Hier moeten we kiezen voor nog dikkere buis,
frameconstructies met driehoeken, gepopnagelde frames,
of carbon monocoques.
De verbindingsmethode en de materiaalkeuze zijn erg
belangrijk voor het ontwerp. In veel opzichten is
popnagelen en het bouwen met composieten simpeler als
lassen of solderen. Wie nog nooit gelast heeft en weinig
in gereedschap wil investeren, kan om deze redenen voor
popnagelverbindingen of composieten kiezen. Beide
bewerkingsvormen zijn wel erg arbeidsintensief!
Het
ontwerpen van een gepopt frame eist een eigen
benadering. Bedenk dat sterkte en stijfheid vooral uit
“oversize” diameters moeten komen. Kies voor het
verwerken van enkele koker- of U-profielen in het frame.
Dit vergemakkelijkt het uitrichten: verreweg het
grootste probleem tijdens de bouw. Goed plaatmateriaal
is o.a. AlMg3 van 0,8 mm zoals gebruikt in de “Alleweder”-driewieler.
Ook het ontwerpen van composiete frames eist een
benadering die afgestemd is op de specifieke
mogelijkheden en moeilijkheden van het materiaal. Hier
zijn vooral de mallenbouw en de vezel- en harsverwerking
belangrijk.
informatie via Internet
www.m-gineering.nl
Hier ziet u hoe een vakman werkt.
http://www.richardsachs.com/how-frames-are-made/
Voor liefhebbers van klassieke fietsen.
http://www.princeton.edu/~humcomp/bikes/design/desi_3.htm
Frame-ontwerpen op HTS-niveau
UNUSUAL
HUMAN POWERED VEHICLES Alles en meer dan u
kunt bedenken, is al eens bedacht.
WISIL Amerikaanse
ligfiets hobbyisten
Vragen of opmerkingen:
contact
Deze pagina kunt u hier in PDF
downloaden.
|