|
Het vlechtwerk voor een 36 spaaks wiel met rechtse velg |
|||
|
terug naar de hoofdpagina |
FIG.1
We gaan uit van een 36 spaaks naaf 3X gekruist, en met een RECHTSE velg. Het vlechtpatroon voor andere aantallen spaken is hetzelfde. Voor het kruisen geldt dat de stap bij FIG.4 bepalend is! BIJ DE ACHTERNAAF BEGINNEN WE AAN DE AANDRIJFKANT. Deze flens noemen we flens A. We steken spaak a1 (zie FIG.1) van buiten naar binnen, en bevestigen deze in het spaakgat in de velg, RECHTS naast het ventielgat. We slaan nu een gaatje op de naaf over, en steken de tweede spaak (a2) van buiten naar binnen. Op de velg slaan we nu drie gaatjes over, en monteren de nippel in het vijfde spaakgat RECHTS van het ventiel.
FIG.2 Zo gaan we door tot kant A vol is: negen spaken! (Zie FIG.2) Zoals we in FIG.1 kunnen zien liggen de spaakgaten op de andere flens (B) iets verschoven. We trekken een denkbeeldige lijn door het gaatje in de naafflens A , waarin a1 zit. In het gaatje op naafflens B dat RECHTS van a1 zit, steken we een volgende spaak (b1) van buiten naar binnen. We monteren spaak b1 RECHTS van A1. Voor montage van b2, slaan we weer een gaatje op flens B over, en drie gaatjes op de velg. b2 komt RECHTS van a2 enz., tot ook in flens B negen spaken zitten. (Zie FIG.3)
FIG.3 We houden kant A voor ons, EN DRAAIEN NU DE NAAF RECHTSOM. Steek nu de eerste spaak RECHTS naast a1 in de naaf, van binnen naar buiten. Draai deze spaak naar RECHTS, zodat hij 3 spaken van scherm A kruist. (Er van uit gaande dat u het vlechtpatroon 3X gekruist gekozen heeft!). We halen deze spaak onder de laatste door, en monteren hem in het juiste nippelgat in de velg (A -zijde!), (Zie FIG.4).
FIG.4 Zo gaan we door tot flens A vol is. Als we goed gewerkt hebben, staan de spaken nu in keurige groepjes van drie. (Zie FIG.5)
FIG.5 We steken nu de spaken van binnen naar buiten door flens B. Ook hier weer kruisen, en onder de laatste spaak doorhalen. Er is slechts één juiste montage mogelijk, komt het niet uit, dan is ergens een fout gemaakt; dit betekent gewoonlijk opnieuw beginnen. (Zie FIG.6)
FIG.6 ALS HET GOED IS, ZIET HET WIELTJE ER ZO UIT! We beginnen alle nippels aan te draaien met een schroevendraaier tot er nog één draadgang zichtbaar is op de spaak. Mogelijk staat er dan al spanning op de spaken. Zoniet alle spaken, ronde na ronde, een halve slag draaien, tot er spanning op komt. We werken altijd vanaf het ventiel! Als er zeer veel rondes komen, zijn de spaken te lang en zullen ze door de nippel naar buiten komen. Dit veroorzaakt lekke banden, dus kortere spaken gebruiken, of de spaken afknippen en afvijlen. Zodra er spanning op de spaken komt, ruilen we de schroevendraaier in voor een goede nippelspanner. Als alle spaken even ver zijn aangedraaid en de velg was volkomen rond, zal het wiel ook volkomen rond zijn; dit is het vaak niet. Als er erg veel zijwaartse slag is, dan haal ik deze er eerst globaal uit. Als de velg naar rechts moet, de rechter spaken over het betreffende stuk een halve- of kwart slag vaster zetten, en de linker spaken een halve- of kwart slag losser. N.B. Wanneer we alleen de rechter spaken vaster zetten, introduceren we feitelijk een hoogteslag! Als het wiel een beetje recht is, gaan we op hoogteslagen controleren. "Deuken" zijn er lastiger uit te halen als "hobbels". Bedenk dat de naaf de krachten op de spaken door geeft naar de andere kant van het wiel. Terwijl je zowel links als rechts, de spaken bij een hobbel aantrekt, moeten de ertegenover liggende spaken losser; anders is de kans groot dat we van een "eivormig" naar een "ellipsvormig" wiel gaan. Bij een deuk zet je bij voorbeeld 2 rechtse en 2 linkse spaken een halve slag losser, en alle andere een kwartslag vaster. Bij de las (vaak door een sticker gecamoufleerd) kan soms toch een vervorming blijven. We nemen nu een wielnaafuitlijner en kijken of de velg in het midden staat. Dit is een eenvoudige beugel met een stelschroef in het midden; eerst aan de ene kant tegen de velg houden en de stelschroef tot aan de naaf draaien; daarna aan de andere kant houden: de stelschroef moet nu weer precies aan de naaf raken. Als dit niet het geval is: alle spaken aan de kant waar de velg naartoe moet, vaster zetten, en de andere kant evenredig losser. Zodra de hoogteslagen eruit zijn, gaan we de restanten van de zijslagen eruit halen. Tijdens het op spanning brengen knijpen we regelmatig het hoge kruis van de spaken samen om spaak te "zetten". Nu moet er al flink wat spanning op de spaken staan; het is dan nuttig om met een doorslag en een hamer alle spaakkoppen een tik te geven. Dit versnelt het zetten van de kop in de flens; het wiel zal daardoor in de eerste kilometers niet of nauwelijks spaakspanning verliezen. Dat het werkt, blijkt door het feit dat weer opnieuw slagen moet richten. Heeft de velg geen hoogteslag en geen zijslag meer, en staat hij ook nog in het midden, dan brengen we de spaken op eindspanning. Hoe strak is dat nu? Strak! Knijp maar eens in een wieltje van een goede vakman. Betere velgen, spaken en naven kunnen hogere spanningen aan. Daarbij kunnen we minder spaken gebruiken. De minimale spaakspanning die ik aanbeveel (bij een 36 spaaks wiel en een lichte rijder), is 500N; dat betekent voor het achterwiel met pion, dat de aandrijfzijde toch al op 750N spaakspanning komt te staan! Voor goedkope aluminium velgen, zonder bussen of versterkingsringen, is dit al in de gevarenzone. De kwaliteit van naven, velgen en spaken moet bij elkaar passen. Een wiel met matige componenten kan, mits vakkundig gespaakt, een acceptabele levensduur hebben. Terug naar de hoofdpagina. Vragen of opmerkingen: contact Deze pagina kunt u hier in PDF downloaden.
|
||